Op een ander

Een vriendelijk ogende rustige vrouw stapt binnen in de wachtzaal bij de doktersgroeppraktijk, ze wendt zich tot de balie: “zou ik nog een afspraak kunnen krijgen vandaag?”. “Oh nee, hoor, mevrouw, we zitten volledig vol, zoek maar een andere dokter.” – Ik schrijf dit letterlijk terwijl ik in de wachtzaal zit. –

Ze zakt een stukje door haar knieën. Ze oogt nu een stuk moedelozer dan de vriendelijke blik die ze op had. Ze brengt geen woord uit en vertrekt weer.

Ik dacht ergens dat hulpverleners ook wel moeten kunnen doorverwijzen?

De vrouw is de deur uit en de twee medewerkers achter de balie reageren: “Eigenlijk is dat toch schandalig? Zomaar denken dat je hier terecht kan? Mensen permitteren zich wat.”

Stel je zwarte gedachten ook even uit.

Een vrouw vertelde me onlangs hoe ze bij de huisarts gaat en vertelde deze dat ze zich van kant wou maken, ze had een plan hoe ze het ging doen, en haar partner werd daar bang van. Op haar partners verzoek, ging ze naar de huisarts…

“Hier de contactgegevens van een psycholoog”. En ze stapte weer naar buiten.

Na twee weken besloot ze een mail te sturen naar de psycholoog, het blijft toch nog steeds een drempel. En kreeg drie mogelijke data terug, ten vroegste binnen drie weken.

Ze zocht een andere psycholoog; via de website, volgens de juiste specialisatie, met “korte wachttijd” en met een foto erbij wat voor haar de drempel verlaagde.

Opnieuw een mailtje: “het is momenteel te lang wachten geworden, je kan best een collega contacteren”.

Ze contacteert een collega gevonden via een website en komt op de voicemail terecht: “ik heb een clientenstop. Je kan geen bericht achterlaten op deze voicemail.”.

Intussen verstrijkt de tijd…

De ernst vergroot en er wordt een psychiater gebeld… “Patientenstop”. “Waar kan ik dan terecht?”. “Dat weet ik niet, ik beheer geen agenda van anderen, ook in mijn groepspraktijk zou ik het niet weten, bel hen even”.

Moed zakt weer in de schoenen. Laat maar.

Waar gaat dit toch naartoe met onze gezondheidszorg en ons (medisch en psychologisch) vangnet? Wij hinken ergens achterop… we houden de klachten niet bij. Mensen hebben hulp nodig, en kloppen aan bij zorghuizen waar niemand open doet. En ze weten niet waarheen.

Er zijn er heus wel velen die zich stevig inzetten, maar dit kan toch beter? Zorg ervoor dat je kan doorverwijzen. Plaats het op je website of werk samen via een platform.

Bedenk gewoon eens hoe persoonlijk afwijzend dit anders voelt… Los van de risico’s die je neemt als hulpverlener. Als je met zwangerschapsverlof gaat, voorzie je toch ook een soort van permanentie? Die eerste lijn is zo belangrijk…

Think about it…

Burnoutstoef

“Ik heb een burnout” “Nee, ik!” “Nee, ik heb een burnout” “nee, jij niet, maar ik!” “Maar jij hebt geen burnout, maar ik daarentegen” “nee, hoor, als je een zou hebben, zou ik het wel weten” “maar nee, ik ben diegene met een en jij stelt je gewoon aan”

Ken je de scene uit de kleine zeemeermin “ik ben niet anders, maar jij”, “nee jij!” etcetera? Waarbij er een wedstrijd ontstaat om het meest ‘normaal’ te zijn? Wel (ik neem aan dat je dat kent, even voor het gemak), steeds vaker merk ik het omgekeerde: “nee, jij bent niet speciaal, maar ik!”. En erger nog… “nee, jij hebt geen burnout, maar ik!”.

Wedstrijd om de burnout

Toen ik vorig jaar in mijn omgeving aankaartte dat ik al een poos over mijn grenzen aan het gaan was, werd er, zonder dat ik erover begon, opgemerkt: “weet dat het geen burnout is hoor wat jij hebt, want ik weet wat dat is, ik heb al een gehad”. Los van de reactie, waar ik mijn serieuze bedenkingen bij heb, bij het niveau van constructiviteit, steun en motivatie, vind ik dit een erg vreemde dynamiek.

Om ter eerst een burnout

“Wij zijn nu eenmaal een competitieve maatschappij”. Het kwam aan bod tijdens een gesprek op radio 1, gisteren, over succesfactoren van het scandinavische onderwijs over te nemen. “Dat kan hier niet, want die concurrentiele en competitieve mindset zit er in gebakken”. Begrijpelijk dan, het stoefen met het hebben van een burnout.

Vreemde, vreemde dynamiek. Ik wil ook benadrukken welke andere tips ik kreeg over ‘doseren’, ‘balanceren’, ‘grenzen stellen’, ‘zorg dragen en lief zijn voor jezelf’. Maar het andere, de burnoutwedstrijd, dat blijft wel nog wat hangen. Het lijkt me iets wat we niet moeten willen, toch? Ik ben enorm beschaamd over mijn uitschuiver, tegen de muur te lopen, en wellicht nog een paar keer overenthousiast en overbetrokken tegen de muur te lopen. Ik schommel ergens tussen: “niets over zeggen want ik schaam me” en “vechten tegen de verkeerde dynamiek en normalisatie van het abnormale”.

Op den duur trek ik mijn ‘wezen’ in twijfel: wat is het nu eigenlijk? Heb ik wel een burnout (gehad)? Was het wel een ‘goeie’ of paste hij op de definitie? Was hij erg genoeg? Anderen lijken nog steeds beter (dan mij) in het hebben en gehad hebben van een burnout.

Uitblinken in een burnout

“Wel, had je enorme weerstand om terug naar je werkplek te gaan?” Euh nee, ik vond het fijn om te gaan en om er te zijn, ik had de afgelopen weken gewoon de energie niet, maar ik doe het werk nog steeds erg graag. “Ah, maar dan was het geen burnout”.

Zelfs bij de burnouters lijk ik een buitenstaander. Niet in staat om te pochen met een burnout. Alsof het een leuke achtbaan is om even op te zitten. ‘Laten we even een burnout hebben’. ‘Met z’n allen’. Laten we de wedstrijd om ook hier de beste in te zijn afschaffen.

Weg met de ‘ultieme’ burnout.

De ideale werkwereld

De eerste keer dat ik een trouwjurk ging passen… Een uitstapje waar ik al van kleinsaf aan naar uit keek. Samen met mijn getuige stapte ik de winkel binnen en een vrouw ontving ons. We gingen met de lift naar boven en ze zuchte in die ene verdieping naar omhoog drie keer. Ik wist precies voor welke jurk ik kwam, maar hij was nogal gewaagd, dus moest het even op me in laten werken. De vrouw zei: “jah, juffrouw, als je hem niet wil, dan hangen we hem terug he”. Kleine domper op mijn feestvreugde, maar ik liet me niet doen. “Mag ik even een andere passen? Dan kan ik voelen of deze toch de ware is.” Na wat gemor kwam er toch een tweede jurk. We waren 10 minuten ver in onze afspraak, schat ik. Na die ene andere jurk, vroeg ik of ik terug de eerste aan mocht. Vragen en initiatieven die ik eigenlijk van haar zou verwachten als verkoopster van bruidsjurken. Ik wist het even niet meer, werd superonzeker en twijfelde. Als zij zou staan te springen, had ik hem wellicht meegenomen. Maar haar gezucht en gefoeter om mijn twijfels lieten me dichtslaan. “Laat maar”, zei ik. Na een kwartiertje waren we terug in de lift naar beneden. Ik kon het niet laten: “Dit lijkt me zo een fantastische job, trouwjurken mogen helpen passen, mee uitkijken naar de grote dag… Hoe ervaar jij deze job? Lijkt me zo leuk…”. Ze zucht, weerom uiteraard, “ach, het is een job als een ander”. Can do. Maar deze winkel zal ik niet gauw aanbevelen…

Het is de verjaardag van mijn dochter, ze gaat met feestkroon mee naar de bakker. We vragen vier kleine taartjes want het is een weekdag, het grote feest komt in het weekend. De bakkersvrouw geeft me een gekneusd taartje. Ik vraag haar om het mooie taartje te geven. Ze blijft me aanstaren. Wanneer ik een croissant vraag en wijs naar die grote in de toonbank, verdwijnt ze in een achterkamer en komt met een zakje terug. Eens thuis merk ik de halve en uitgedroogde, wellicht oude croissant op. Het is de bakker in de straat waar we wonen… Ik weet weer waarom we steeds drie straten verder rijden voor de vriendelijke bakkersvrouw met de minder lekkere taartjes en koeken…

Hoogzwanger, met opgeblazen borsten stap ik een lingeriezaak binnen. Ik ben op zoek naar een borstvoedingsbh en kan de week voor de bevalling wel al eentje kopen die ook na de bevalling zal passen, las ik. Zou me wel goed uitkomen, gezien mijn uitpuilend duo. De verkoopster stapt mijn pashok (ongevraagd) binnen; “oei, jij bent nog zwanger [well done, Sherlock], nee, dan kan ik je niet helpen, hoor.”. In mij naaktigheid stamel ik nog dat ik toch weet welk merk en maat en model ik wil… maar zeg dat ik eigenlijk gehaast ben en mijn aankopen op een andere keer verderzet. Deze winkel ben ik niet meer binnen gestapt.

Schoenen… In de stad waar ik woon is een schoenenzaak. Een familiezaak. De winkel is leeg en we vragen drie paar schoenen te passen: “begin gewoon met deze en als je die dan niet wil, dan zet ik die terug”. Euhm. Ik overweeg eigenlijk twee of misschien zelfs drie paar te kopen, maar wil vooral kunnen vergelijken. Hij nam telkens de schoenen weer weg. “Wel, als je niet wil verkopen, hoeft het voor mij ook niet, hoor.”

Op een bouwbeurs. Mijn man en ik snuisteren wat rond en zien steellook ramen die ons erg aanspreken. We staan in spijkerbroek en t-shirt te kijken en we zijn enthousiast. De eigenaar van de firma komt op ons af en opent het gesprek met de woorden: “nu, je moet weten, deze ramen en deuren zijn erg duur, hoor, bezin vooraleer je zoveel geld uitgeeft”. Euhm, wanneer iets echt onze zin is, zijn wij bereid om dat uit te geven. We kochten uiteindelijk duurdere steellook ramen van je concurrent. Dat gesprek is ons steeds bijgebleven, mijn man en ik weten nog de naam en toenaam van je firma en van jou…

Ijsjeskraam. Mijn dochter kan nogal gebrand zijn op kleuren. We zien het aanrecht van het ijsjeskraam en ik vraag of ze zo’n rood bakje mag hebben. Neen. Een rood lepeltje dan? Neen, hij grabbelt en er komt een groen uit. De dochter wil het niet meer eten. Los van de aanwezigheid van een stoornis, vraag ik me af waarom je zo tegenwerkt. Ik koop niet meer bij jou.

De leerkracht lager onderwijs… “neen, ik ga geen pictogrammen introduceren, ik behou mijn klas zoals hij al jaren is”. Goh, fijn, dankjewel.

De lijst is lang, een lijst met werknemers waarvan ik afvraag waarom ze hun job eigenlijk nog doen.

De lijst van toppers ook, dat wel. Een winkel van kinderkleren met de beste service en wel meer dan eens: “dit is tegen mijn winkel, maar dit zou je beter in een andere maat nemen en die heb ik niet meer in voorraad”. Of de bakker: “vorige keren vroeg je om drie broden, ik heb er hier al drie voor jou opzij gehouden, wil je dat ik dat volgende keer ook doe?”. Of de apotheek: “ik herinner me dat je borstvoeding geeft, deze medicatie is niet ideaal in combinatie daarmee, is het goed als ik even met je dokter bel voor de zekerheid?”. Of een kinesitherapeut: “kom nog maar langs, ik maak even tijd voor je vrij”.

Ik vraag me toch wat af… waarom doe je wat je doet? Als je zoveel moeite hebt met de job die je doet en het maakt je niet meer vrolijk, waarom doe je hem dan? Er bestaan zoveel alternatieven om toch te kunnen doen wat je wil. En ik begrijp zeker beperkingen zoals een zekerheid qua inkomen enzovoort, maar ik begrijp die verzuring echt niet. Hoe doe je dat dag in dag uit?! Die bakker bij ons om de hoek is er al zeker de tien jaar die we hier wonen, van in het begin bemerken we haar tegengoesting. De apotheek idem. De schoenenwinkel idem. Ik geef graag iedereen een baaldag, dus ik ga meerdere keren langs alvorens ik echt zelf de deur sluit van een winkel. Sommige zijn echt gewoon hardnekkig tégen hun goesting aan het werken.

Doe me een lol en zoek een job waar je wel vrolijk van wordt. Hang een mopje aan de muur in je bakkerij waar je echt om moet lachen. Behandel je klanten zoals jij behandeld zou willen worden. Als je klanten ziet lachen, zal het je vast ook zelf vrolijker maken.

Ik noem het: het appreciatieplan. Maak van je job iets leuks en geniet er dan van. Job crafting met een ‘duur’ woord wellicht.

Ver-arm-ing in de zorg

Ik ging deze avond naar de spoedafdeling met mijn zieke dochter met verstoorde pijnverwerking en koortsstuipen. Dit maakt haar moeilijk te lezen als het op ziek zijn aankomt.

We komen bij het onthaal en brengen het korte verhaal, de vrouw aan het onthaal is erg begripvol en begrijpt meteen wat ik bedoel. Ik word au sérieux genomen, fijn! Zouden mijn formele bloesje en hakken daartoe bijgedragen hebben, of die drie grijze haren? (Frustratie van de week, of van het jaar, is iets voor een andere blog.)

We mogen naar de wachtzaal en kijken naar de papieren die we meekregen. Er staat een naam op van een dokter, dus ik google al even om hem te kunnen laten zien aan mijn dochter. Zij weet graag van tevoren waar ze aan toe is ;).

Even later worden we binnengeroepen. Verpleger Hans, stelt hij zich voor. Axelle is in de war: “zusters kunnen alleen vrouwen zijn en een verpleger is een zuster”. Mooi dat ze dat even aanhaalt, ik kan al meteen 1 vooroordeel uit haar wereld halen. Hij grapt over haar blauwe stift op de armen: “wil je een tattoo? Dat doe je beter niet hoor, krijg je spijt van”. Hij opent het dossiertje en stelt enkele vragen: “Waar heeft ze pijn? Is ze allergisch? …” het lukt me niet van in 1 2 3 correct te antwoorden en krijg de reactie: “jamaar, je faalt op het spelletje ‘kenjedochter’, hoor, op deze manier”. Auw. Ze heeft een zeer gevoelige huid, vermeld ik nog. Ik vertel hem kort over de complexiteit van mijn dochter en ik probeer het samen te vatten als: “ze is een complex wezen, maarja, zo zijn er wel meerdere”. Hij antwoordt dat dit vooral aangeduid staat op een identiteitskaart in termen van een M of een V. Hm. En ik deed nog zo mijn best om vooroordelen uit de wereld te helpen…

Hij brengt ons naar een kinderkamertje waar we even mogen wachten. Er komt een andere verpleegkundige binnen (zonder voor te stellen) en deze zegt dat we wellicht straks bloed zullen moeten prikken en een urinestaal moeten verzamelen. Handig. Wat een gewaarschuwd… mens is er twee waard.

Iets later komt er een andere persoon binnen. Deze heeft een andere tenue aan, dus Axelle denkt luidop dat dit de dokter zal zijn. Ik denk het ook. Zij voegt er aan toe: “want het is een meneer”… neen. Verdorie. Sommige assumpties zijn hardnekkig! Maar dus. Essentie van het verhaal: hij zegt dat we voor een echo gaan. Er komt nog een andere dame die ons de weg wijst naar echografie. Onderweg horen we haar de andere collega’s toeroepen dat ze de volgende dag op de andere locatie staat omdat ze eens wou samenwerken met een andere collega. Mooi, denk ik, als je je collega’s zelf kan kiezen, wel een beetje jammer dat er daardoor zo weinig continuiteit is, denk ik tegelijkertijd. Nadien hoor ik de andere collega zeggen dat deze de volgende ochtend alweer de vroege shift heeft en nog niet goed weet of hij al dan niet zo slapen.

We komen radiografie binnen en de mevrouw vraagt ons van plaats te nemen, we worden geinstalleerd en er komt een meneer binnen. Die neemt zonder ons aan te kijken plaats bij zijn machine en doet het onderzoek. Hij draait het scherm, staat op en loopt de kamer uit. De mevrouw maant ons aan terug naar de kamer in de spoedafdeling te gaan. We vinden de weg wel. Fijne dag nog, meneer en mevrouw.

We komen terug in de kamer. “Er is intussen een wissel van wacht geweest, dus jullie zullen een andere dokter krijgen”. Ah. Mooi aanknopingspunt om mijn dochter nachtwerk en werken in shifts uit te leggen. Maar het tellertje aan zorgverleners loopt aardig op…

Vervolgens komt de mevrouw bloed prikken: “is ze gemakkelijk om bloed te prikken?”. “Ja, als je het haar duidelijk uitlegt wat er gaat gebeuren”. “Nee, ik bedoelde eigenlijk of ze makkelijke aders heeft?”. Euhm. Weer een kans denk ik; ik leg het aan mijn dochter uit aan de hand van haar lievelingsfilmpjes van “er was eens… het lichaam”. Het bloed prikken verloopt vlot. Na een tijdje wachten komt er (weer) iemand anders voor het urinestaal, geeft uitleg en verlaat weer de kamer.

Er komt weer een andere mevrouw binnen met de melding dat de medicijnenkast een update aan het doen is, dus dat ze er even niet in kan. Boeiend. Updates van medicijnenkasten.

Enkele uren later komt er weer een andere arts binnen die de resultaten van het urinestaal weergeeft. Hij gaat ze overleggen met een pediater, ik hoor hem bellen op de gang: “goh, zoals ik ze nu zie [toen sliep mijn dochter], denk ik niet dat ze moet blijven ter observatie”. Beetje later komt hij binnen en hij geeft het resultaat van het urinestaal nog eens weer. En wat met het bloedonderzoek? Ah dat is weer een andere tak. Maar het urineonderzoek wees dit uit.

Er komt nog een andere mevrouw het infuus uit mijn dochter haar arm halen. “Ik zal het gewoon snel doen”. De pleisters hadden intussen hun werk gedaan; daar kan mijn dochter haar huid namelijk niet tegen. Ze heeft een extreem gevoelige huid, wat ik al zei, op haar infoblad zie ik nog net staan: “geen allergie voor pleisters”. Euhm jawel, maar die vraag had je niet zo gesteld. Nuja. Er staat ook wel een V op mijn paspoort. Dus wellicht ben ik ook wat complex op vlak van vragen te beantwoorden ;)…

Uiteindelijk verloopt alles wel vlotjes en werden we goed geholpen. Mijn dochter vond iedereen erg lief en behulpzaam. En leerde veel bij over alles wat er in de kamer te vinden was dankzij het lange wachten. Waarover ik overigens ook zeker niet klaag, gezien de drie bevallende dames die ik zag passeren wellicht sneller geholpen werden, gelukkig maar.

Ik was me er wel van bewust dat ziekenhuizen een soort van bandwerk zijn, maar geraak steeds weer in de war omdat het beeld wat ik heb (assumptie) van werknemers in de zorg vaak mensen zijn die het volledige pakketje leuk vinden; zorg dragen voor mensen en ik weet niet of die hun beroep willen verarmen naar enkel bloedafnames. Of mensen klaarleggen op het bed voor een echo. Of medicijnen voorzien.

Mijn man bemerkte bij thuiskomst dat ze allen experts zijn ik in hun vakgebied. Maar wat als je beroep te fel verfijnd is? Het doet me denken aan “locked-in fenomeen”; dat je dan geen ander beroep meer kan uitoefenen, wat dus loopbaangevolgen heeft, maar ik begin me ook wel af te vragen wat dat met trots, werkvreugde, en je roeping naar de zorg doet? Zijn er mensen die enkel het infuus van alle patienten willen verwijderen? Elke handeling bij mijn dochter werd door iemand anders gedaan en ik vermoed dat dat geen toeval is.

Mijn man sluit de nacht af met de gevleugelde woorden: “waw, zoveel armen die zorg droegen voor onze kleine meid”…

Ben ik heel dankbaar voor hoor, voor die vele armen in de gezondheidszorg, ik hoop dat zij ook heel blij zijn dat ze er zijn. ❤

Career mystery

“May I ask you how you do this?”

I had just entered my first work council meeting as a representative of the employees of the university where I work.

The woman who asked me, is part of the supportive team which helps with the administrative part of our university.

I asked her what she was talking about.

“Well, you are able to pursue a career which you seem to love, how do you do that, what is your mystery?”

Erm. Mixed feelings all over. I have a partner, husband, who helps a lot and works near home and often brings our children to school. But erm. How, why, and again why, should I seem to be an exception? Is it because I am female? Does that make my career, ambitions, and potential different? Please compare my situation with a same age man with two kids, is it also not normal to be working fulltime and trying to excel?

I am very in fond of gender neutrality, but I do have to acknowledge that pregnancies did take a lot of my careerpotential(time). They hampered my opportunities and slowed me down. Which is probably not the same for men. Although the restless nights thereafter do were a shared struggle. I was not in there alone. Actually, my husband may have taken more of the cries at night then I have. But my husband and I, we did discuss who want to achieve what and what are our ambitions in life. Nights before important presentations, he woke up several times during the night to comfort our children, he pushed me to take my sleep. So, I realize that it is still a shock in the 21st century that a husband wants to support his wife in her career?

O, and, there is no exclusivity rule about parenthood nor for academia. You can do several things in different life domains at the same time. Careers don’t stop when you become a mother.

Last week, I took my children to my university to pick something up which I forgot. I asked my children politly to be quiet in the corridor, which, off course, is like an open invitation to scream your lungs out (“hellloooo” yelled my youngest when I opened the door of the corridor 🙂 ). An older male colleague opened the door of his office and asked me what children were doing at work since it was nog x-mas yet… He asked me whether those ‘things’ were mine, refering to my children. He didn’t knew I already have two of those. The next conversation we had a couple of days later, he noticed I am not an active researcher…

Mismatch…

Maybe, can we just put things in perspective, acknowledging facts (pregnancies and life events do take time) without underestimating each other?

SSwot

“If you’d only know how many colleagues of yours that I have in therapy…”

She said… my psychiatrist…

I have thought a long time to share my story. And today… I feel the need is reaching a point where I should share.

I started my PhD in october 2011. And I submitted in december 2015. I had my first baby in 2013 and delivered my second two months after my PhD defense. Next, I started in a position as assistant professor right after my maternity leave in september 2016. I had a surgery somewhere along the way and a traumatic life event in 2018 for which I stayed at home for a couple of months. And I had/have (or suffer from) a postpartum depression (which noone knows of, but anyways… let share this and please forget after reading this).

Today I again got comments on my track record. Where are my publications? I asked the colleague where I was talking to what about my teaching. And he said that my publication record is negligable so we should not discuss my relevance in teaching.

Regardless of who he is… it just set me back and made me wonder… I am an industrial and organizational psychologist. And sooo many of my academic colleagues fall out and suffer from burnout. Do you, then, still need to set the bar this high and critisize each other on publications? Or do we need to acknowldedge the importance of social support from colleagues (which our studies have shown to be important)? And maybe take a look at what we aim to achieve and make our environment more healthy? Maybe we should practice what we preach and support each other. Of course, science is important and without publications, your meaning in science is negligable, but at the beginning of our careers… then… you just don’t need this.

Remarks on how you should not get pregnant during your PhD and early academic career, is just… nefast.

Trying to sabotage PhD students or young academics is just something that will be funest in the long run.

I try to collaborate with ‘my’ teaching assistants, I try to manage collaborations with ‘my’ phd students. And I see and try to valorize collaborations with colleagues. I would expect others to do the same.

I keep ethical behaviour and ethical practices in research in a very high importance. I just don’t understand others to not do the same.

Today I also heard a colleague referring to the high publication level of social psychologists in The Netherlands, and that we should try to achieve the same. Without getting caught for malconduct. Do you encourage this? (I am afraid to say… but I do think so…)

I have heard and encountered unethical behaviour of well-known authors and academics. But I just won’t voice or whistle blow, because my career depends on it. This small academic world would (like to) ruin my life just so it is able to move ahead.

Do I still want to be part of it?

Urgh. Difficult. Although I sometimes critize my students, I still love them, and I constantly check the value and quality of my teaching. If I do not feel the best at what I am doing, I will change it. My research line is developing in the direction where I want to have it. And indeed, not as fast as I would want it to have, but I still enjoy what I am doing, and I try to do it at the highest level.

But if academia still goes along this way, I will just have to say goodbye, otherwise I would end up like so many others in long-term sickness.

The same guy laughed about sustainability and sustainable careers. Well, I do keep that in mind when I am working: “can I perform this job for at least the coming three years? Will I still be able to perform?” Maybe you should do so too.

And why am I sharing this? People will probably judge me for not being able to stay or get ahead; people will make assumptions and draw conclusions (‘not intelligent enough’, probably)… Well, they are doing that allready, so why should I bother? I will just try to do the best I can and respect my personal boundaries. So I will not join this rat race. I will just take care of myself. I hope you do too.

Take care.

Hush hush with this rush rush

When I receive reminders for an email that was sent yesterday, I tend to lose my mind. I feel rushed and lose grip over my calmness. At the same time I realise that this doctor does not work at an emergency center, nor do I perform urgent surgery. So the question can probably wait. And I do not need the pressure to rushrush. There is already enough pressure to perform, obtain, get ahead and publish and all kinds of other things.

I bless myself with the most amazing colleagues, but I realize how sensitive academia is for dropout… the dark side of this pressure to rushrush. And the pressure to at least get by and get ahead. I would want to collect data on this topic (what is this vibe good for?), but when I suggested it at an occupational health psychology conference, people, colleagues looked at me with fear in their eyes. How can we admit that we struggle with the things that we actually should be able to treat or even help others to avoid? These norms, these values, we actually set them ourselves. Outstanding and excellent research of course can and will make a difference, but aren’t chances to get to this stage higher when we help out each other? (In setting boundaries, being kind, etc.?)

I admit, I tend to rushrush myself. I always say yes, and I want to do everything at the same time (myself). But meanwhile my day only counts 24h and I would love to still stay in touch with my family, friends and colleagues.

And my rushrush is strong. When I take a break, I feel it pondering and lingering on like a perpetuum mobile. The rush won’t stop. And your reminder, dear student of mine, for an unurgent email of yesterday, pushes this rush just a little bit more.

I want to hush the rush, but I seem to have forgotten how I can do that. I unlearned that. I learnt how to say yes and execute things that are asked. I don’t know how to calm the rush down myself. It seems like it is an unevitable thing to do or actually undergo…

Last couple of years I met a couple of people in academia that feel that the rush needs to be hushed and that it is okay to choose when to hush. Attitudes seem to be shifting, social support is getting closer and more down to earth, and careers are changing. But it remains a challenge.

Mainly because some aspects (okay, I will be honest: some ‘students’) are not to be hushed. And I know, I am the first to ask action of students and push them and I do really want them to #provemewrong. But maybe I also want them to learn how to hush others. When do you know where to stop? Where others should stop? What is not something that you can expect from them? Can you protect others in losing grip of the rushrush?

So hush hush my rush rush, days are getting longer, sun is getting stronger. New days are coming, old routines are going. Hush hush that rush rush and enjoy what you enjoy most.

Briefjes en ticketjes

Steven, de papa van een klasgenootje van mijn kinderen, vroeg naar mijn briefje waarom ik met de auto naar school gekomen was. Het zette me even een kleine 20 jaar terug. Om een briefje naar het secretariaat… want ik was weer eens te laat…

Hoeveel keer ik daar nog steeds over droom is absurd eigenlijk. In mijn hoofd is het intussen opgeslagen alsof ik de tiener was die elke dag – zonder uitzondering – te laat was. Doordat ik het eindeloos herkauw in mijn hoofd, zit het intussen geherprogrammeerd.

Een vierkant briefje van Marleen en een nota in de agenda. Zo ging dat.

Om dan naadloos aan te haken bij een meer recente situatie. De IT-ticketjes. Ik beeld er mij hetzelfde bij in: “Ellen; haal maar een briefje”… “Ellen, neem maar een ticketje”.

De bevestiging zit wel al goed; je krijgt automatisch een ticketje én je wordt bevestigd in je actie. Je hebt wel degelijk een ‘probleem’ aangekaart; er is inderdaad iets aan de hand. Mijn bevestigingsdrang is daar steeds zeer content mee.

Enkele tellen later weet je het al: OPGELOST. In grote letters. Met amper uitleg. Wanneer blijkt dat het niet is opgelost en je verwijst naar je ticketjesnummer om te verduidelijken wat het probleem is, krijg je het bericht dat je een nieuw nummer krijgt. We willen immers niet dat de gemiddelde wachttijd omhoog gaat. Nog een analogie met mijn rijgedrag; mijn gemiddelde uitstoot kan ik onder de 3.9/km houden, een persoonlijke wedstrijd met mezelf. Als een snel opgelost briefje voor een verlaagd cijfer zorgt zal ik vooral voor snel opgeloste briefjes zorgen. Wellicht heeft IT een soortgelijk dashboard.

Dus de reden waarom ik met de auto was – wat ik op mijn briefje zou zetten, is: de jongste was wakker tussen 3 en 4u vannacht. En vervolgens niet wakker te krijgen om 7u. Onze supergeisoleerde woning laat geen kattenluik toe waardoor we zo een 10-tal keer uit bed mochten om het raam te openen en weer dicht te doen en waarbij je volgespetterd wordt met vrolijke versgeregende kattendrap. En wanneer je de oudste zachtjes wakker gemaakt hebt met het muziekje van de efteling ontstaat er vervolgens het kledij-gevecht: haar kleren zitten niet goed en ik koos de verkeerde kousen, en we moeten minimaal drie keer veranderen voordat we het ideale zwierrokje vinden. Vervolgens wou de jongste een driegangenmenu en de oudste vergat te knabbelen op haar eten over and over again. Focus is kwijt. En toen hebben we luizen vastgesteld. Nuja neten. Dus dan snel bad in om te behandelen en weer de strijd met de kleren. De katten roepen ondertussen dat ze heel graag veel en vers eten willen. En denken me te kunnen tegenhouden door op mijn enkel te gaan liggen. Vervolgens zit de jongste zijn pamper vol waarna je wil verversen, hij overmoedig is, zichzelf begint uit te kleden en vol in zijn eigen kak stapt. Je haalt een keer adem en herinnert je dat het vandaag sporten is voor de oudste: dan moet ze er om 10 na 8 absoluut zijn om de bus te halen. Hm.

Zodus. Voor op het briefje voor mijn komst met de auto naar school; kort en bondig: “geexcuseerd” en op mijn ticketje: “opgelost”.

In het kader van de digitalisering vind ik die ticketjes en briefjes misschien ook echt niet meer van deze tijd. Ik stel voor dat we met een netwerk beginnen. Geen volgnummers want je zit in een netwerk en alles vindt zijn weg wel.

Weg met de ticketjes, briefkes, en volgnummers.

En op naar de duurzamere oplossingen voor de echte worstelingen; kinderen met een constant verzadigd gevoel, oploskak, zwierrokjes alom, en vooral mijn computer aan de praat krijgen zonder de batterij er uit te slopen. (Dank bij voorbaat, lieve IT-dienst)

En dan kom ik morgen gezwind met de fiets.

When the evening pulls the sun down…

I remember the nights of the first couple of weeks. How I went to bed, hearing nothing, numbed, thinking about every detail, hearing every aspect of silence, being overwhelmed with loneliness and hurt.

I remember the mo(u)rnings of the first couple of weeks. Unable to hear a song out loud, but repeating that one song in my head, unable to hear my children chear, unable to sing out loud, unable to write any sense down, deaf by the hurt and shattered hearts around that kept breaking and breaking all over again.

I waited for every ‘phase’ to go by. Please dear brain of mine, accept and acknowledge what has happened. It is not a bad dream, it is worse, it is a frightening reality. But there are ways to go ahead and move forward. World does not end here. So please carry on. Do your job, run errands, do the dishes, fold the laundry. Accept and enter phase 2 please.

There are still moments in which I try to convince myself of that. That this can and needs to be accepted. While I had hoped to be in stage 6 or something by now. Which feels very confusing and frustrating. What is stage 1 still doing here?

I looked at others, and wondered how it looked like they went forward while I couldn’t. There is no way that this unrestrained talkative chatterbox will come back, energy levels will not be restored, and no way this musiclover is able to still love and listen to music while the world has stopped turning. I couldn’t and wouldn’t watch laughing people and feel the joy. I wanted everybody to share in the pain and feel lonely. They should feel this. It felt fair and just.

How could relatives reinvent their life path and carry on?! Stop carrying on. I need everybody to still stand still. I want to stand by your steady side.

Months went by, and my worries rose; what if those people pretended they carried on, but they would be facing a huge setback in the long run because they didn’t accept it? Or because they didn’t acknowledge the horror that had happened? This would probably break them all over again. And even worse…

It appeared they did struggle. Of course. But with a different pace. It is like a pendulum; swinging one way for a once and swinging in the other direction next. After which the first direction comes back. Or maybe something changed and the dimensions changed; it still seemed to be a swing going in one direction, followed by another one, followed by yet another one etc.

It can be comforting; a bad episode will be followed by a better one. Sun will rise again. But new evenings will pull her back down. Hearts will be broken over and over again. But afterwards sun will rise again. Maybe sometimes just a little bit, maybe other days she will be more present.

So please enjoy good moments, even manic one, please do. They will load your batteries. Which is needed. For the bad episodes. I wish you less intense bad episodes. And full batteries. That load the ability to bounce back after the bad episodes. Tons of resilience.

“How were you able to regain stability and control?”

Her pen waited on the paper; she allready drew a bullet point. Like I would list several things. She just caught me in a balanced moment. She made me look and feel very in control.

Sun is being pulled down again. Longing for silence at previous evenings, comforted by the arrival silence sometimes, frightened by it now and then.

I just cannot predict this (which is very difficult to be accepted by a sceptic scientist like me) and I will probably never accept it. So dear phase one, you can stick around, together with the other ones. I will tolerate you because some days you are less present than others. Meanwhile I do not need to accept anything, I do not need to be able to predict this, others neither. We just will be. Which is perfect.

Please do not expect anything, tolerate everything. You mustn’t of course, but it would be nice. That if tomorrow is grey, I can share it with you, and you can share it with me. And that is okay.


In brief, it is not about the phases nor the stages, they can provide us insight in how we feel, but are not linear and do not appear in strict sequences. The label of “stages” and “phases” can thus be confusing and probably misleading and in the end inadequate. Things can go up and down, and back up and down. From “phase 1” to “phase 5” and back to 3 and 1 and so on. That is okay. It is something that helps me settling in with others’ trajectories. Those are also okay. It soothes me knowing that I do not have to worry extra about others’ pathways. I can care (and worry) whenever and whatever needed, and that is – I hope – already quite something.

Out with the norm or normative thinking (for example: “you should talk about it in this way or another”), in with the tolerance for differences and individuality.

Please stop caring – trek het je niet aan

‘Neiging tot overcommitment’
… dat was de reden waarom ik mijn eerste baan misliep. En nu, bijna 10j later, lijk ik opnieuw tegen hetzelfde aan te lopen.

Ik wil het allerbeste voor mijn organisatie, voor mijn collega’s en voor onze toekomst. Daarvoor zou ik op de barricade willen springen. Ik trek extra uren voornamelijk in het belang van onze organisatie; ik wil efficiëntie en effectiviteit najagen, de beste kwaliteit leveren, en perfectie nastreven.

Hoe vaak heb ik het al moeten horen:
– “doe het eens wat kalmer aan”
– “leg de lat wat lager voor jezelf en voor anderen”
– “trek het je allemaal niet zo aan”
– “laat het los”
– …

Wel, ik trek het me wel aan. Enkel op professioneel gebied, dat wel. Mijn weekends en vrije dagen zijn wel weekends en ik kan het werk wel afsluiten. Maar als ik op het werk ben, wil ik me wel volledig kunnen geven. Zonder afgeremd te worden.

Want de reden “je zorgt ervoor dat ik meer moet doen, want de verwachtingen stijgen”, is voor mij geen reden. Van mij moet je niks, maar ik wil mijn perfectionistisch ei wel kwijt. En het ergste wat me dan kan overkomen, is tegengewerkt te worden omdat het druk zou kunnen geven bij anderen. Laat mij gewoon maar doen. ‘Laat mij maar los.’ Ik trek wel aan de bel als iets niet gaat.